Apicoop - Arsenio
Arsenio
William Van Laeken bezoekt Apicoop (25 april 2006)
We rijden langs groene weiden met schapen en koeien, hier en daar kleine eiken- en beukenbosjes. Ik denk terug aan de schrale, kurkdroge grond van Cauquenes, mijn eerste kennismaking met het Chileense platteland. Wat een verschil!
“We hebben bij Apicoop twee trucks”, zegt Luis. “Als de imker ons belt, halen we de honing op. Hij heeft vanaf dan geen enkele kost meer. We hebben leden in een gebied van wel 600 kolometer, van Los Ángeles in het noorden tot het eiland Chiloé in het zuiden.”
Rijen van genummerde parcelas van amper twee hectare worden onderbroken door een uitgestrekte landingsbaan voor privé-vliegtuigjes. “Van señor Edwards”, zegt Luis. “Onthoud zijn naam, hij zal opduiken in het verhaal van Arsenio.”
***
Ik zit tegenover Arsenio in zijn gezellige woonkamer, een man met een vriendelijk gezicht. Zijn vrouw houdt zich op de achtergrond. We constateren dat we allebei in 1945 geboren zijn, het ijs is nu wel helemaal gebroken.
Arsenio noemt zichzelf lachend de soñador-fundador, dromer-stichter. “Ik kwam in 1997 met het idee op de proppen om met enkele mannen een consejo, een bestuur, op te richten. Daar begonnen we te dromen van een coöperatie. Dat was onder de dictatuur illegaal, maar we schurkten ons tegen de kerk aan, dat hielp. Om te kunnen starten moesten we onze grond in hypotheek geven. Chino nam een hypotheek op zijn huis. Bij de bank vroegen ze naar mijn onderwijsniveau: ik was beschaamd en boos, want ik had mijn lager onderwijs niet eens af gemaakt. Later, met de coöperatie, ben ik allerlei cursussen gaan volgen: bijenteelt, computer, mechanica. In feite is de coöperatie mijn school geweest.”
Ik vraag hem hoe hij aan dit prachtige stuk grond is gekomen. Toen we aan kwamen gereden, had ik zijn uitgestrekt, golvend terrein bewonderd: weiden, bosjes, akkerland. Ruim twintig hectare, wist ik van Luis.
“Dat is een bizar verhaal”, begint Arsenio. “En een beetje lang, vrees ik. Van mijn ouders heb ik niets geërfd. Zij konden niet lezen of schrijven, ze werden buiten de erfenis gelaten. Toen ik trouwde, had ik twee schapen. Beetje bij beetje kocht ik dieren bij. In 1978 kon ik 14 hectare grond kopen voor 120.000 pesos (190 euro); daar heb ik dieren moeten voor verkopen en mij in de schuld steken. Ondertussen was één van de rijkste Chilenen, señor Edwards, hier massaal grond beginnen opkopen. Hij wilde ook mijn stuk, maar ik hield het been stijf. Op den duur lag ik helemaal ingesloten door hem. Zijn administrador smeekte bijna om te verkopen, en toen zag ik mijn kans: ik kon mijn 14 hectare ruilen voor dit mooie stuk van 24 hectare. En bovenop bedong ik 10 miljoen pesos (15.000 euro), een tractor en een eg. Ze legden zelfs een weg aan naar mijn erf! Bovendien stond op mijn nieuwe grond één hectare eucalyptus van tien jaar oud, dat brengt ook een aardig bedragje op.”
Arsenio leunt tevreden achterover, hij beleeft nog altijd genoegen aan dat verhaal.
Agustín Edwards, ontdekte ik achteraf, is de puissant rijke grootgrondbezitter in wiens krant, El Mercurio, ik al enkele dagen zit te bladeren bij het ontbijt. Destijds is hij ervan beschuldigd Amerikaanse fondsen te hebben gekregen om Allende het leven zuur te maken. Tegenwoordig is El Mercurio dé conservatieve kwaliteitskrant van Chili. Daarnaast zitten in de portefeuille van señor Edwards een tiental regionale kranten en verscheidene radiostations. De man die Arsenio uitkocht, weegt zwaar op de opinievorming in Chili.
Of we dat nu willen of niet, Luis en ik zullen mee-eten. Gewone, lekkere boerenkost. Grote porties. Arsenio’s vrouw dient op; pas als we insisteren, gaat ze mee aan tafel zitten en schept ze voor zichzelf op.
“Ik was thuis de derde van vijftien”, zegt Arsenio. “Ik ging blootsvoets naar school. Soy criado en el pallazo, groot geworden op een strozak. We aten alleen wat ons boerderijtje opleverde. Eigenlijk ben ik er een beetje trots op dat ik zo arm ben geweest.”
Die tijd, dat had ik al meteen gemerkt, was voorbij. Arsenio woont in wat voor Chileense begrippen een groot huis is, met alle normale comfort. Hij laat me zijn bureautje zien, mét computer. “Wat ik nu heb, dank ik aan God en de coöperatie.“
De eerste vijf jaar was Arsenio presidente van Apicoop. Samen met Chino bezocht hij voedingsbeurzen in Mexico en Europa. “En zeggen dat ik zelfs in mijn eigen land bijna niets had gezien. Toen ze mij in Europa zaken over Chili vroegen, probeerde ik van thema te veranderen!”
We gaan buiten naar zijn colmenas kijken, z’n bijenkorven. “De honing is goed voor de helft van mijn inkomen. Hij heeft me geholpen om mijn kinderen te laten studeren.“
Ik informeer naar zijn pensioen. “Dat zal de moeite niet zijn”, zegt hij. “Ik heb nog maar acht jaar mijn bijdragen betaald. Wat wil je, hier op het platteland wisten we van niets. We kenden onze rechten en plichten niet.”
“Ik heb geen zoon die met het bedrijf door wil gaan.” En dan, lachend: “Als ik sterf, zal mijn vrouw een andere boer moeten zoeken.” Niet voor de eerste keer begint Arsenio een zin met Cuando Dios está con uno: “Als God het wil, hebben mijn vrouw en ik toch nog enkele mooie jaren voor ons.”
Ik wens hem het beste en we geven elkaar een stevige hand. Hoog boven ons roept een zwerm bandurrias, vogels die op ibissen lijken.