Suiker: hard labeur, geen zoete beloning
Hard labeur, geen zoete beloning
De suikerrietteelt is de voorbije decennia enorm toegenomen en heeft opkomende economieën zoals Brazilië een boost gegeven.
De medaille heeft helaas ook een keerzijde. Om aan de vraag naar suiker te voldoen, werden mensen aangetrokken en vaak gedwongen om in de suikerrietproductie te stappen. Eind 2008 werden meer dan 4600 slaven bevrijd uit suikerrietplantages in Brazilië.
Sociale drama’s bleven niet uit, omdat producerende landen vaak geen arbeidsbeleid hadden. Ngo’s en internationale organisaties hebben de wantoestanden in de suikerteelt meermaals aangeklaagd. In wat vaak de gevaarlijkste grondstofteelt wordt genoemd, kan fair trade een ‘sweet solution’ bieden.
Zware arbeidsomstandigheden
De suikerrietteelt is seizoensgebonden. Daarom nemen grote plantages hun arbeiders vaak tijdelijk in dienst. Op de Filippijnen steeg de tijdelijke tewerkstelling tussen 1995 en 2006 met 330 procent en werkt 70 procent van de grote plantages volgens dit systeem. Dat wil zeggen dat het grootste deel van de arbeiders op het einde van het oogstseizoen ontslagen wordt.
Bovendien werken steeds meer plantages volgens betaling op basis van het geoogste volume. Omdat grootgrondbezitters hun plantages zo winstgevend mogelijk willen houden, zijn de werkdruk en de uitbuiting van de suikerrietkappers enorm toegenomen. In de jaren 1980 kapte een dagarbeider vijf tot acht ton suikerriet per dag, een decennium later was dat acht tot negen ton per dag. Intussen eisen bedrijven een rendement van twaalf tot vijftien ton per dag.
De mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch lanceerde enkele jaren geleden een campagne tegen de kinderarbeid op de suikerrietplantages in El Salvador, waar Coca-Cola opkoopt. Suikerrietteelt is volgens de organisatie de meest risicovolle teelt voor de arbeiders. Het suikerriet wordt gekapt met machetes, het werk gebeurt onder de brandende zon en in een vochtig klimaat, en is monotoon. Deze mix zorgt ervoor dat er heel wat ongelukken voorkomen op de plantages. Door het verbranden van suikerriet voor het kappen, zijn brandwonden aan de voeten en rookinhalatie niet abnormaal.
Ook kinderen verrichten zwaar werk. In El Salvador is dergelijk werk verboden onder achttien jaar. Om die wet te omzeilen, worden de kinderen ingeschreven als ‘helpers’. Daardoor zijn ze geen werknemers en kunnen ze niet rekenen op de luttele voorzieningen. Naast alle gezondheidsrisico’s lopen ze ook het risico om een aantal maanden school te missen of zelfs helemaal geen school meer te lopen.
Recht op organisatie?
Het recht op organisatie wordt nauwelijks nagekomen.
In Colombia staakten eind 2008 vakbonden uit de suikerrietsector gedurende een aantal weken. Ze vroegen erkenning als vakbonden en klaagden de levensomstandigheden van de suikerrietarbeiders aan. Ondanks de wereldwijde steun voor de vakbondsactie trad de politie gewelddadig op tegen de stakers.
Op de Filippijnen zijn er steeds minder vakbonden of associaties binnen de suikerteelt. Het aantal aanvallen op en repressie tegen arbeiders en vakbondsmensen neemt toe. Mensen worden uit hun huis gezet, terwijl de staat de grond opeist. Privémilities of landeigenaars bedreigen of vermoorden mensen die hun landrechten verdedigen.
Actie vereist
De problemen in de suikerrietteelt zijn niet nieuw. De International Labour Organisation (ILO) heeft al verschillende suikerproducerende landen op de vingers getikt. Uit een ILO- onderzoek van 2008 blijkt dat minimum 1,3 miljoen arbeiders in Latijns- Amerika in dwangarbeid leeft. Inheemse volkeren worden aangesproken door tussenpersonen die voor de grote plantages mensen rekruteren. Door voorschotten en manipulaties wordt inheemse volkeren een artificiële schuld aangepraat. Vaak worden ze vervoerd naar plantages ver van hun familie en moeten ze lange dagen werken om hun schuld af te betalen. Meestal blijft de schuld zich opstapelen. Op die manier weten grote plantages de arbeiders aan zich te binden en komen de arbeiders in een vicieuze cirkel van armoede terecht. Deze praktijken heeft de ILO vastgesteld in Peru, Bolivia, Paraguay en Brazilië.
Ook mensenrechten-ngo’s voeren campagne om de problematiek in de suikerrietsector aan te kaarten en de overheden en multinationals op hun verantwoordelijkheden te wijzen. Human Rights Watch richtte zijn pijlen vooral op Coca Cola en de suikerrietteelt in El Salvador. Door deze campagnes beseffen de producerende landen dat ze actie moeten ondernemen.
Brazilië, de Filippijnen, Bolivië, Paraguay en El Salvador hebben de ILO- conventies ondertekend. De meeste landen hebben de conventies ook omgezet in hun nationale arbeidswetgeving. Het probleem is echter de beperkte inzet van de landen om de wet na te leven en het landbouwmodel dat vrij eenzijdig gericht is op de economische voordelen. Door internationale verdragen niet na te leven, schenden de landen in kwestie zowel de mensenrechten als hun eigen nationale wetgeving.
Hier en daar hebben nationale initiatieven al veel beweging op gang gebracht. Paraguay stelde een ‘ministerie van arbeid’ in. Bolivia en Peru riepen nationale commissies in het leven die een nationaal actieplan moeten opstellen om slavernij tegen te gaan.
Fairtradecriteria
Fair trade kan een hemelsbreed verschil maken voor de producenten. De sociale en economische criteria van FLO dragen ertoe bij dat de producenten een sterkere onderhandelingspositie tegenover leveranciers, klanten en publieke instellingen kunnen opbouwen. Hierbij is belangrijk dat de producenten de coöperatie op democratische, autonome en transparante manier besturen en de deelname van vrouwen en jongeren actief aanmoedigen.
FLO baseert zich op de ILO-conventies. Indien slechts enkele werknemers worden tewerkgesteld en de producenten seizoensarbeiders inhuren, moeten de producentenorganisaties zelf stappen zetten om de arbeidscondities te verbeteren en te verzekeren dat ook de arbeiders in de voordelen van eerlijke handel kunnen delen.
Partners uit Paraguay
Onze suikerpartners in Paraguay hebben begrepen dat fair trade voor hen een verschil kan maken. Hugo Olmedo Dinatale van de Paraguayaanse ngo CODES, die onze partners ondersteunt, is niet mals voor de situatie in Paraguay “25 procent van de Paraguayanen zijn arme boeren die slechts een klein stuk grond bezitten. De overige 75 procent zijn buitenlandse inwijkelingen, die de grond voor weinig geld opkopen. Rijkdom is erg geconcentreerd. Kinderarbeid op de suikerrietplantages moet gezinnen een minimuminkomen verschaffen. Corruptie tiert welig.”
De producenten die lid zijn van onze Paraguayaanse boerencoöperaties Montillo, El Arroyense of Manduvira krijgen het dubbele van de gemiddelde marktprijs voor hun biologisch suikerriet. Daarbovenop komt nog een extra fairtradepremie die de coöperaties investeren in de gemeenschap. Dit is het resultaat van een lang proces van bewustwording, vorming, organisatieversterking en fair trade, dat ertoe geleid heeft dat de coöperaties sinds 2005 hun eigen biorietsuiker kunnen verkopen en exporteren.
Juli 2009